Leaf

De olifant
  "Onze wieg," zegt een Oostindisch olifant,
  "Staat gewoonlijk in ons geboorteland,
"Net als die van mijn Afrikaanschen bloedverwant,
"En we zijn beiden twee beesten uit den deftigen middelstand;
"Want aan edele leeuwen,, tijgers royal, en adelijken in dien trant,
"Heeft men in onze famielje reeds van kindsbeen af het land".

- Als of een naturalist,
Die zijn vak kent, dit niet wist! -

"Waarschijnlijk," vervolgt hy, "omdat wy op de jacht
          "wel eens door hen worden omgebracht,
"En hen dus niet van de voordeeligste zij leeren kennen."

Gelukkig, o jeugd! dat wy dat niet bennen!

Als een olifant een ijsbeer of een gild-os ontmoet,
Vraagt hij doorgaands aan van Aken: "Wat is dat voor kleingoed?"
Om dat hy zelf zoo groot is; want op zijn voorzaten zag men, in vroeger tijden,
Immers heele krijgsbenden in een kasteel naar 't leger rijden.
Doch niets, helaas! is bestendig van aard:
Diezelfde krijgslui rijden thands meer te voet of te paard!
Zoo men aan den schijn alleen het oor wo leenen,
Vroeg men licht: "Heeft menheer het water ook in de beenen?
"Want wr is eigenlijk 't onderscheid tusschen zijn kuiten en zijn scheenen?"


"Doch,' antwoordt de opzetter van 't kabinet te Weenen,
"Hij scharrelt er met allebe toch nog al kras overheenen,
"En dat in een Oostindisch moeras,
"Wer of geen wer, door 't hemelhoogste gras,
"Of 't iemand van menheer van der Hoop zijn harddravers was:
"En toch betaalt hy jaarlijks zeker
"Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stads-apteker."

Doch niet alleen is een olifant
De kolossaalste viervoet op 't vaste land,
(Zoo gij den basilosaurus uitzondert, of sprakelooze wallevisch, -
Ook een buitenkansjen voor een baker, en de corpulentste van alle visch).

Hy is bovendien begaafd met een uitmuntend verstand,
En voor zo'n zwaar zoogdier, zoo buitengemeen bij de hand,
  Meer dan de slankste minister, diplomaat-aspirant,
  Of politiek prestidigateur calminant,
  Onder zijn lichter natuurgenooten in de staats-courant.
  Want met zijn tubeleuze, subconische proboscis -
  Die, sub rosa, een reus bij den staart van een os is, -
(Behalve dat hy er de zwaarste zesponders me licht van 't affuit,
Voor de grap een pomp er van maakt of een spuit,
En er in de menagerie de vetkaarsen me snuit)
  Blaast hy er immers regulier onze kindersprookjes uit,
  Speelt een sans-prendre op de diatonische fluit,
Vangt zo vlug een vlieg of een vijfjen, als een bedelaar een duit;
Zoekt, op 't kantoor, een ongelukkigen zesthalf in een zak schellingen uit,
En smeert er een ouwen heer, daar hy een puist aan heeft, ongemanierd me den huid;
Pakt hem by zijn gepoeierd schorseneeltje, of zijn glimmende knoopen,
En ketent Heemskerkjen aan 't hart, dat zijn oogen er van overloopen;
Trekt er vervolgens een halfjen "groenlak," voor u of zijn eigen me open,
En komt deftig zijn "zoute bolletjen" in uw glaasje doopen.
      Enfin, met zijn pachydermateuse snuit
      Voert onze proboscideaanseche guit
      Allerlei antediluviaansche snakerijtjens uit.
Als hy echter netelig wordt, zendt hy, helaas! zijn hoeder
Er wel eens ad patres me, of naar zijn moeder,
      En stort hem dus op een ontijdige baar;
Want zoodra hy 't land aan u krijgt, zyt gy in doodsgevaar.
Als gy dus, by geluk, eens onder zijne voeten mocht belanden.
Zeg dan maar "menheer, mijn leven is in uwe handen."

      Doch de zwartste bladzijde in een olifant
      Is, dat hy strikken voor zijn natuurgenooten spant.
      En zonder een blos op zijn wangen,
      Zich niet schaamt zijn naasten te helpen vangen.

Een museum voor de geologie, alias, kennis der aard -
Zijn leg hok in een gewezen diergaard, -
Of wel in 't afgebroken spel van professor van Aken,
Is nog altijd de beste manier om hem te genaken;
Of emn moet van een olifant zijn halsvriend willen maken,
Waardoor de zologische Jonathans wel eens aan 't sneuvelen raken.

Gelukkig dat de Natuurlijke Historie aan ieder beest
Zijn specifieke zwaarte geeft en eigenaardige leest:
Of wat werd er van menschen in hun ledekanten,
Als vlooien 's nachts zoo zwaar en zoo groot waren als olifanten?
Voor zo'n natuurmysterie staat 't kloekste brein stok stil,

      Een olifant is dol op juttepeeren En zit er een Bengaalsch fruitmeisjen wel eens om ind e veren.
      Doch het acme van zijn geluk
Is, entre nous, een bejaard rhinoceros in den druk,
Liefst zonder hoorn op zijn neus, en met een kruk;
Want op dit dier zijn remarques is hy zeer kitteloorig,
      En een menagerie is zoo gehoorig!

  Hoogmoed brengt echter de besten tot den val:
Hy waant zich al te vaak een afgod, in de Oost vooral,
Waar men hem over 't paard licht. Doch hier is men niet zo mal.
Aan zulke afgodendienaars doet Holland voorloopig niemendal.
Onze jeugd geeft aan olifantolatrie dus geen gehoor:
Wy respecteeren hem eenvoudig als uitvinder van ons ivoor.

De Schoolmeester

FAQ | Poets | Poems

Add to Google
add to yahoo
My MSN
xml
Lid van de Technetium groep
NetStat W3C Validator